IV Achtergrond afbakening en omvang van de stroom
Algemene aspecten
In de
Verordening dierlijke bijproducten wordt een driedeling in dierlijke bijproducten gehanteerd op basis van gezondheids- en veterinaire risico’s, te weten categorie 1-, 2- en 3-materiaal. Het onderscheid tussen de groepen is gebaseerd op een afnemend risico voor mens en dier.
Categorie 1 materiaal bevat het grootste risico voor mens en dier. Binnen deze categorie vallen onder andere gespecificeerd risicomateriaal (o.a. ruggemerg, hersenen van herkauwers) en kadavers die dit materiaal bevatten, kadavers (en delen daarvan) van (wilde) dieren waarvan wordt vermoed dat die met een op mens of dier overdraagbare ziekte zijn besmet, keukenafval en etensresten uit internationale transport van vervoer en mengsels met categorie 1 materiaal.
Categorie 2 materiaal bevat materialen die minder gevaarlijk worden geacht, maar zeker niet in de voedselketen terecht moeten komen. Te denken valt aan mest en inhoud van het maagdarmkanaal en producten met residuen diergeneesmiddelen. Ook kadavers die niet onder categorie 1 materiaal vallen worden beschouwd als categorie 2 materiaal.
Categorie 3 materiaal is materiaal dat, al dan niet na bewerking, in een aantal gevallen geschikt wordt geacht om als grondstof voor veevoer te dienen. Belangrijke stromen zijn onder andere vlees ongeschikt of (om commerciële redenen) niet bestemd voor menselijke consumptie, voormalige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong en keukenafval afkomstig van huishoudens en horeca.
De hier genoemde materialen zijn voorbeelden van stromen die onder de betreffende categorieën vallen. Voor een uitgebreide beschrijving per categorie wordt verwezen naar artikel 4 (categorie 1), artikel 5 (categorie 2) en artikel 6 (voor categorie 3) van de Verordening dierlijke bijproducten.
Voor (communautair en internationaal) transport van deze producten is de Verordening dierlijke bijproducten en niet Verordening (EG) 1013/2006 leidend. De Verordening dierlijke bijproducten bevat een sluitend systeem van kennisgevingen en voorgeschreven handelsdocumenten en gezondheidscertificaten voor de hele keten van dierlijke bijproducten.
Omvang afvalstof
De totale productie aan dierlijk afval in Nederland bedraagt ongeveer 790 kton (situatie 2006).
Euralcodes
Voor de feitelijke afbakening is paragraaf I van het sectorplan bepalend. De in onderstaand overzicht genoemde Euralcodes kunnen betrekking hebben op afval dat valt onder de reikwijdte van dit sectorplan. Deze opsomming is indicatief. Wanneer aard en/of herkomst van een afvalstof in overeenstemming zijn met paragraaf I van het sectorplan, is niet van belang of de voor de afvalstof gehanteerde Euralcode al dan niet in dit sectorplan of in andere sectorplannen wordt genoemd.
Indicatief overzicht van Euralcodes
|
020102; 020201; 020202; 020203; 020299
|
Een meer uitgebreide toelichting op de relatie tussen Euralcodes en de verschillende onderdelen van het LAP vindt u
hier. In de Regeling integrale tekst Afvalstoffenlijst treft u niet alleen de totale lijst met Euralcodes aan, maar tevens de manier waarop in concrete gevallen de van toepassing zijnde Euralcode moet worden bepaald. In artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst is uitgewerkt hoe moet worden omgegaan met zogenaamde complementaire categorieën, waarbij afhankelijk van de situatie soms een code moet worden gekozen voor gevaarlijk afval en in andere gevallen een code voor niet-gevaarlijk afval. Beide regelingen zijn nog eens verder uitgewerkt en toegelicht in de door VROM uitgegeven Handreiking Eural.
Monitoring
De monitoring van dierlijk afval vindt jaarlijks plaats op basis van de bedrijfsafvalstoffenstatistiek van het CBS. SenterNovem Uitvoering Afvalbeheer rapporteert jaarlijks over de
monitoring en de resultaten.
V Beleid en regelgeving
Verordening dierlijke bijproducten
Alle inrichtingen die dierlijke bijproducten opslaan, be- of verwerken moeten (naast een milieuvergunning) in het bezit zijn van een erkenning op basis van de
Verordening dierlijke bijproducten. De minister van LNV is bevoegd gezag voor het afgeven en controleren van deze erkenningen. Om erkend te kunnen worden moet worden voldaan aan de eisen die in de Verordening dierlijke bijproducten aan de erkenning worden gesteld. Dit zijn eisen met betrekking tot onder meer de algemene hygiëne, inrichting van bedrijfsruimten en verwerkingsnormen, toezicht op de productie, de validatieprocedures, het afvalwater en de residuen. De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) toetst, namens het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), verwerkingsroutes aan de Verordening op veterinairrechtelijke en volksgezondheidsvoorschriften en geeft de noodzakelijke erkenning af. De Algemene Inspectiedienst (AID) controleert bij primaire bedrijven en op transport.
Voor categorie 1 materiaal is er in Nederland vooralsnog één bedrijf (Rendac in Son), dat een werkgebied toegewezen heeft gekregen.
Uitzonderingen op de zogenoemde aangifte- en ophaalplicht zijn etensresten afkomstig van internationaal opererende middelen van vervoer, kadavers van gezelschapsdieren (voor zover deze worden begraven of gecremeerd in een erkend crematorium), kadavers van paarden (voor zover deze worden gecremeerd in een erkend crematorium), mest en de van het maagdarmkanaal gescheiden inhoud van het maagdarmkanaal, kadavers van pelsdieren (mits deze worden onthuid in een erkend intermediair bedrijf) en dierlijke bijproducten die met toestemming van de VWA worden gebruikt voor onderwijs, diagnose en onderzoek (artikel 3.1 van de Regeling dierlijke bijproducten 2008). De inzameling van deze producten én van categorie 3-materiaal mag door elk bedrijf gebeuren dat voldoet aan de eisen gesteld in de Verordening dierlijke bijproducten. De opslag van deze producten mag in erkende intermediaire bedrijven gebeuren.
Als een afvalverbrandingsinstallatie aan de eisen van de
Richtlijn verbranden afvalstoffen voldoet, is voor verbranding van dierlijke bijproducten geen separate erkenning nodig. In Nederland is de Richtlijn verbranden afvalstoffen geïmplementeerd in de
Besluit verbranden afvalstoffen. Inrichtingen die een vergunning hebben op basis van het BVA, worden daarmee geacht te zijn erkend om dierlijke bijproducten te mogen verwerken. Wat hiervoor is beschreven voor afvalverbrandingsinstallaties geldt niet voor dierencrematoria; deze inrichtingen moeten wel expliciet worden erkend.
De Verordening dierlijke bijproducten is in Nederland geïmplementeerd in de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, het
Besluit dierlijke bijproducten en de
Regeling dierlijke bijproducten 2008. Europese Verordeningen zijn rechtstreeks werkend. Nationale wetgeving (zoals het Besluit dierlijke bijproducten) voorziet in uitvoeringsvoorschriften, strafbaarstelling en overgangsmaatregelen. In aanvulling hierop, regelt de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren onderwerpen waar de Verordening dierlijke bijproducten niet in voorziet.
In 2008 heeft de Europese Commissie een voorstel naar het Europees Parlement gezonden voor een nieuwe verordening, ter vervanging van de verordening 1774/2002. Ook heeft de Commissie een
leidraad voor de toepassing op dierlijke bijproducten van de communautaire wetgeving inzake de dier- en volksgezondheid en inzake afval uitgegeven.
VI Verdere informatie
- Voedsel- en Waren Autoriteit: www.vwa.nl
- Algemene Inspectiedienst: www.aid.nl
- Ministerie van landbouw, natuur en voedselkwaliteit: www.minlnv.nl
- Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) (VIHB-lijst): www.niwo.nl