Landelijk afvalbeheerplan 2 (LAP2)

U bent hier: HomeSectorplannenSectorplannen A-Z 30 Zeefzand

30 Zeefzand

Toelichting


 

IV        Achtergrond afbakening en omvang van de stroom
 
Algemene aspecten
Bij zeefzand worden twee fracties onderscheiden. Bij het sorteren van gemengd bouw- en sloopafval dient dit afval gezeefd te worden. De zeeffractie die hierbij ontstaat wordt sorteerzeefzand genoemd. Deze fractie bevat vaak hoge concentraties verontreinigingen (PAK, sulfaat). Nadat het bouw- en sloopafval is gesorteerd worden de steenachtige fractie (beton en metselwerk) afgevoerd naar een puinbreker. Deze puinbreekinstallaties zijn uitgerust met een voorzeef. Het zand uit de eerste zeefgang, dus voordat het materiaal in de breker wordt geleid, wordt brekerzeefzand genoemd.
 
Omvang afvalstof
De totale productie aan zeefzand in de afvalfase in Nederland bedraagt ongeveer 430 kton (situatie 2006).
 
Euralcodes
Voor de feitelijke afbakening is paragraaf I van het sectorplan bepalend. De in onderstaand overzicht genoemde Euralcode kan betrekking hebben op afval dat valt onder de reikwijdte van dit sectorplan. Deze opsomming is indicatief. Wanneer aard en/of herkomst van een afvalstof in overeenstemming zijn met paragraaf I van het sectorplan, is niet van belang of de voor de afvalstof gehanteerde Euralcode al dan niet in dit sectorplan of in andere sectorplannen wordt genoemd.
 
Indicatief overzicht van Euralcodes

191209; 191211

 
Een meer uitgebreide toelichting op de relatie tussen Euralcodes en de verschillende onderdelen van het LAP vindt u hier. In de Regeling integrale tekst Afvalstoffenlijst treft u niet alleen de totale lijst met Euralcodes aan, maar tevens de manier waarop in concrete gevallen de van toepassing zijnde Euralcode moet worden bepaald. In artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst is uitgewerkt hoe moet worden omgegaan met zogenaamde complementaire categorieën, waarbij afhankelijk van de situatie soms een code moet worden gekozen voor gevaarlijk afval en in andere gevallen een code voor niet-gevaarlijk afval. Beide regelingen zijn nog eens verder uitgewerkt en toegelicht in de door VROM uitgegeven Handreiking Eural.
 
Monitoring
De monitoring van zeefzand vindt tweejaarlijks plaats via een enquête bij alle brekers en sorteerders van bouw- en sloopafval en daarmee vergelijkend afval in Nederland. SenterNovem Uitvoering Afvalbeheer rapporteert jaarlijks over de monitoring en de resultaten.


 
V          Overwegingen bij de minimumstandaard
 
BREF
Bij het vaststellen van de minimumstandaard voor zeefzand zijn de in het kader van de IPPC-richtlijn opgestelde 'BBT-referentiedocumenten (BREFs)' betrokken. Deze documenten zijn in de Regeling aanwijzing BBT-documenten aangewezen als documenten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bepalen van de BBT. Voor zeefzand zijn geen als BBT aangemerkte bepalingen gevonden over de wijze waarop deze afvalstof verwerkt moet worden. De IPPC-richtlijn en daarop gebaseerde BREF’s hebben dan ook geen gevolgen voor de toelaatbaarheid van bepaalde methoden van verwerking zoals deze in de minimumstandaard wordt vastgelegd.
 
Hoogwaardigheid van verwerking
De minimumstandaard voor zeefzand sluit aan bij het streven naar het sluiten van kringlopen en het nuttig toepassen van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze en met zo min mogelijk verlies aan kwaliteit (zie ook het hoofdstuk 'Ketengericht afvalbeleid' van het beleidskader). Sorteerzeefzand zal in veel gevallen, gezien de aanwezige verontreinigingen, voorafgaand aan nuttige toepassing moeten worden bewerkt door reiniging of immobilisatie. Deze bewerking heeft geen grote negatieve milieugevolgen. De verwerking van zeefzand volgens de minimumstandaard vermindert het gebruik van primaire grondstoffen. De minimumstandaard is daarom milieuhygiënisch gezien gewenst.
 
In het MER dat is opgesteld voor het eerste LAP zijn verschillende toepassingen bij materiaalhergebruik van zeefzand vergeleken (ophoogmateriaal, funderingsmateriaal, vervanger van beton- en metselzand). De resultaten van deze vergelijking zijn geen aanleiding om in de minimumstandaard bepaalde toepassingen uit te sluiten.
 
Relatie tot de praktijk in Nederland / uitvoerbaarheid / bedrijfszekerheid
De minimumstandaard sluit aan bij een bestaande wijze van verwerking en is daarmee uitvoerbaar en bedrijfszeker.
 
Relatie minimumstandaard en gebruikelijke verwerking in het buitenland
Het niveau van verwerking dat in de minimumstandaard is vastgelegd komt overeen met de gangbare wijze van verwerking in het buitenland. De minimumstandaard leidt daarom niet tot een ongelijk speelveld tussen Nederland en de omringende landen.
 
Kosteneffectiviteit
Verwerken van zeefzand volgens de minimumstandaard is algemeen aanvaard als haalbaar en kosteneffectief.
 
Specifieke aspecten / ontwikkelingen
In vergelijking tot LAP1 is de minimumstandaard niet gewijzigd. Wel is in de formulering de passage 'binnen de kaders van het beleidskader' toegevoegd. Hoewel het algemene beleid altijd geldt voorzover daar niet expliciet in het sectorplan van wordt afgeweken, is er in dit geval voor gekozen dit nog eens te benadrukken om juist voor deze afvalstroom extra aandacht te vestigen op twee specifieke aspecten.
  • Het eerste aspect is het algemene mengbeleid uit hoofdstuk 18 van het beleidskader. Op het specifieke belang hiervan juist voor deze afvalstroom wordt hieronder - onder de kop 'De minimumstandaard i.r.t. zeer schadelijke stoffen' en in paragraaf VI onder de kop 'Van afvalstof naar bouwstof' - nader ingegaan.
  • Het tweede aspect is dat in paragraaf 21.13 van het beleidskader is verwoord dat bij gebruik in 'noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen' de inzet van ter verwijdering aangeboden materialen de voorkeur heeft boven de inzet van bouwstoffen. Dit betekent dat gebruik in 'noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen' uitsluitend is toegestaan in gevallen waarin het realiseren van deze voorzieningen met ter verwijdering aangeboden afvalstoffen niet mogelijk is. Met een verwijzing naar het beleidskader is deze nuance ook in de formulering van de minimumstandaard tot uiting gebracht.
 
De minimumstandaard i.r.t. zeer schadelijke stoffen
Bij vaststelling van de minimumstandaarden in het LAP is het milieu één van de meegewogen aspecten (zie ook het hoofdstuk 'Minimumstandaard' van het beleidskader). Hierbij is in het algemeen een gemiddelde of gebruikelijke samenstelling van de afvalstof als uitgangspunt gehanteerd. In een aantal gevallen is in de formulering van de minimumstandaard al expliciet rekening gehouden met het mogelijk voorkomen van schadelijke componenten. Het is echter niet ondenkbaar dat ook in andere gevallen specifieke verontreinigingen in partijen afval voorkomen.
 
In het hoofdstuk 'Mengen' van het beleidskader is aangegeven dat verspreiding van stoffen die zodanig gevaarlijk zijn dat ze onder geen beding in de stoffenkringloop mogen blijven circuleren moet worden voorkomen. Concreet gaat het om
  • persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) uit het Verdrag van Stockholm, geïmplementeerd met EU-Verordening EG/850/2004.
  • stoffen waarvan in het kader Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH) is bepaald dat zij voldoen aan de criteria voor stoffen van zeer ernstige zorg, op grond waarvan ze kandidaat zijn voor een totale uitfasering (autorisatie).
 
Omdat deze zeer schadelijke stoffen niet terug in de kringloop mogen worden gebracht, mogen - op basis van genoemde regelgeving - geen handelingen worden verricht die kunnen leiden tot diffuse verspreiding van deze milieugevaarlijke stoffen. Dit kan betekenen dat verwerkingsvormen die voldoen aan de minimumstandaard in bepaalde gevallen alsnog niet kunnen worden toegestaan. Ook mogen partijen afval waarin deze milieugevaarlijke stoffen voorkomen niet worden gemengd met andere partijen afval, met andere afvalstoffen of met niet-afvalstoffen wanneer dit kan leiden tot diffuse verspreiding van betreffende stoffen.
 
Omdat de betreffende stoffen in veel soorten afval kunnen voorkomen en de geformuleerde minimumstandaarden in het algemeen zijn gebaseerd op een gemiddelde of gebruikelijke samenstelling, moet per situatie worden beoordeeld of (incidentele) aanwezigheid van deze stoffen te verwachten is. Bij het verlenen van vergunningen voor afvalverwerking wordt daarom van geval tot geval afgewogen of opnemen van specifieke vergunningvoorschriften noodzakelijk is.
 
 
VI        Beleid en regelgeving
 
Van afvalstof naar bouwstof
Het beleid voor zeefzand is gericht op nuttige toepassing ervan. In het algemeen betreft het hierbij inzet als (of verwerken tot) bouwstof. Wel volgen uit het hoofdstuk 'Mengen' van het beleidskader enkele restricties voor het be- en verwerken van zeefzand gericht op dergelijke inzet als bouwstof, namelijk:
  1. Handelingen met zeefzand die de in het hoofdstuk ‘Mengen’ van het beleidskader bedoelde 'zeer schadelijke stoffen' bevatten zijn niet toegestaan wanneer dat kan leiden tot verspreiding van deze stoffen (zie verder onder de kop 'De minimumstandaard i.r.t. zeer schadelijke stoffen' in dit sectorplan).
  2. Mengen van partijen zeefzand onderling, met andere afvalstoffen of met niet-afvalstoffen is niet toegestaan wanneer het zeefzand zonder mengen niet voldoet aan de kwaliteitseisen van Besluit bodemkwaliteit, tenzij toevoegen van het zeefzand civieltechnisch noodzakelijk is voor het produceren van de betreffende bouwstof en het gaat om functionele hoeveelheden zeefzand.
Het genoemde onder 2 houdt dus in dat het mengen van afvalstoffen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit niet is toegestaan wanneer dit gebeurt met het oogmerk verontreinigingen weg te mengen en zo alsnog een deze eisen te voldoen. Wordt met de inzet van de afvalstof echter primair de verbetering van de fysische en/of bouwtechnische eigenschappen van de gevormde bouwstof beoogd en wordt niet meer van de afvalstof gebruikt dan vanuit functioneel oogpunt noodzakelijk is, dan is gebruik van afvalstoffen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit wel toegestaan, een en ander natuurlijk voorzover de resulterende bouwstof wel aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit voldoet.
Het hoofdstuk 'Mengen' van het beleidskader beoogt niet immobilisatie van verontreinigingen door een afvalstof te mengen met bijvoorbeeld cement aan te merken als een ongewenste vorm van mengen. Het maken van immobilisaten die voldoen aan de kwaliteitseisen van het besluit bodemkwaliteit is - onder voorbehoud van restrictie 1 - toegestaan.
 
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
In het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen is bepaald dat het storten van zeefzand niet is toegestaan (categorie 20).
 
Zeefzand en PAK
Zeefzand is regelmatig verontreinigd met PAK's. Deze horen tot de in het hoofdstuk 'Mengen' van het beleidskader bedoelde 'zeer schadelijke stoffen'. Zoals hiervoor onder 'Van afvalstof tot bouwstof' is aangegeven, is het ongewenst deze componenten in het milieu te verspreiden. Voorzover het zeefzand al binnen de wet- en regelgeving als bouwstof kan worden toegepast blijft dat ook uitgangspunt van de minimumstandaard. Bij partijen die daarvoor te veel PAK bevatten is het vernietigen van de PAK uitgangspunt. Om dit nog eens extra te benadrukken is in de minimumstandaard expliciet opgenomen dat de geldende grenswaarde niet door mengen mag worden bereikt. De opgenomen grens van 50 mg/kg is ontleend aan de Regeling Bodemkwaliteit.
 
 
VII       Achtergronden bij in- en uitvoer
 
Indeling op basis van Verordening (EG) 1013/2006
Op basis van Verordening (EG) 1013/2006 zijn er geen codes van de Groene en Oranje lijst van afvalstoffen (bijlage III respectievelijk bijlage IV van Verordening (EG) 1013/2006) die voor afvalstoffen van dit sectorplan aan de orde kunnen zijn. Voor overbrenging van zeefzand moet altijd de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming worden gevolgd. De procedure is beschreven in hoofdstuk 'Toetsingskader in- en uitvoer' van het beleidskader.
 
Indeling op basis van bijlage I van het Verdrag van Bazel (Y-code)
Op basis van het Verdrag van Bazel zijn gevaarlijke afvalstoffen in te delen onder categorieën van Y-codes. Lidstaten van de Gemeenschap dienen aan de hand van onder meer de Y-codes aan de Europese Commissie te rapporteren hoeveel en welke gevaarlijke afvalstoffen zijn overgebracht. Hieronder is een indicatief overzicht gegeven van categorieën van Y-codes van bijlage I van het Verdrag van Bazel die op de afvalstoffen van toepassing kunnen zijn.
 
Indicatief overzicht van Y-codes op basis van bijlage I van het Verdrag van Bazel

Codes op basis van bijlage I van het Verdrag van Bazel
 Y18

 

Vermeld de Y-code altijd bij kennisgevingen.

Landelijk afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP)