Landelijk afvalbeheerplan 2 (LAP2)

U bent hier: HomeSectorplannenSectorplannen A-Z 20 AVI-bodemas

20 AVI-bodemas

Toelichting


 

IV        Achtergrond, afbakening en omvang van de stroom
 
Omvang afvalstof
De totale productie aan AVI-bodemassen in Nederland bedraagt ongeveer 1.000 kton (situatie 2006).
 
Euralcodes
Voor de feitelijke afbakening is paragraaf I van het sectorplan bepalend. De in onderstaand overzicht genoemde Euralcodes kunnen betrekking hebben op afval dat valt onder de reikwijdte van dit sectorplan. Deze opsomming is indicatief. Wanneer aard en/of herkomst van een afvalstof in overeenstemming zijn met paragraaf I van het sectorplan, is niet van belang of de voor de afvalstof gehanteerde Euralcode al dan niet in dit sectorplan of in andere sectorplannen wordt genoemd.
 
Indicatief overzicht van Euralcodes

190111; 190112

 
Een meer uitgebreide toelichting op de relatie tussen Euralcodes en de verschillende onderdelen van het LAP vindt u hier. In de Regeling integrale tekst Afvalstoffenlijst treft u niet alleen de totale lijst met Euralcodes aan, maar tevens de manier waarop in concrete gevallen de van toepassing zijnde Euralcode moet worden bepaald. In artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst is uitgewerkt hoe moet worden omgegaan met zogenaamde complementaire categorieën, waarbij afhankelijk van de situatie soms een code moet worden gekozen voor gevaarlijk afval en in andere gevallen een code voor niet-gevaarlijk afval. Beide regelingen zijn nog eens verder uitgewerkt en toegelicht in de door VROM uitgegeven Handreiking Eural.
 
Monitoring
De monitoring van AVI-bodemas vindt jaarlijks plaats door de rapportage Afvalverwerking in Nederland van de Werkgroep Afvalregistratie (WAR). Deze werkgroep enquêteert jaarlijks alle AVI’s in Nederland, naar o.a. de productie en afzet van AVI-reststoffen. De resultaten van deze enquête worden jaarlijks gerapporteerd in de publicatie Afvalverwerking in Nederland.
 
 
V Overwegingen bij de minimumstandaard
 
BREF
Bij het vaststellen van de minimumstandaard voor AVI-bodemas zijn de in het kader van de IPPC-richtlijn opgestelde BBT-referentiedocumenten (BREF’s) betrokken. Deze documenten zijn in de Regeling aanwijzing BBT-documenten aangewezen als documenten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bepalen van de BBT. De BREF afvalverbranding bevat als BBT aangemerkte bepalingen voor AVI-bodemas. Een deel van deze bepalingen betreft specifiek de wijze van bewerken van bodemassen. Daar waar de BREF verdergaande of meer specifieke bepalingen bevat dan de minimumstandaard worden beoordeeld of betreffende bepalingen uit de BREF voor specifieke gevallen betekenen dat vergunningverlening conform de minimumstandaard onvoldoende hoogwaardig is en of deze bepalingen uit de BREF uitgangspunt moeten zijn voor vergunningverlening in plaats van de minimumstandaard. Onderstaand overzicht geeft een overzicht van specifieke bepalingen die de BREF bevat ten aanzien van AVI-bodemas.
 
Toetsing aan deze eisen leidt tot het volgende:
  • De aparte behandeling (BBT 4.6.2) is gangbaar in Nederland. Op basis van de Regeling scheiden en gescheiden houden (zie paragraaf VI) is mengen van AVI-bodemas met andere verbrandingsresiduen in beginsel niet toegestaan.
  • Het nascheiden van metalen wordt in Nederland algemeen toegepast voor ferrometalen en in een aantal gevallen ook voor non-ferro metalen. Bij vergunningverlening kan daarom met deze eis uit de BREF rekening worden gehouden
  • De laatste eis sluit aan bij de minimumstandaard. Omdat toepassing van bodemas door de minimumstandaard verplicht is, moet behandeling van de bodemas plaatsvinden als de kwaliteit niet voldoende is. Deze BBT is dus impliciet in de minimumstandaard opgenomen.
 
Specifieke aanvullingen op de minimumstandaard in de BREF’s

BREF
Bbt
situatie of afvalstoom
specifieke bepaling BREF
Afvalverbranding
4.6.2
AVI-bodemas
Aparte behandeling van bodemas en vliegas en andere rookgasreinigingsresidu's om contaminatie van bodemas te vermijden en de mogelijkheid voor nuttige toepassing bodemas te verhogen
Afvalverbranding
4.6.4
Ferro- en non-ferro recyclebare metalen
Na de verbranding uit de bodemas afscheiden voor zover praktisch en economisch haalbaar
Afvalverbranding
4.6.5
AVI-bodemas
Zorgen voor toepasbaarheid door behandeling van bodemas (hetzij on-site, hetzij off-site) door een geschikte combinatie van:
a.         droge bodemasbehandeling, met of zonder rijping
b.         natte bodemasbehandeling, met of zonder rijping
c. thermische behandeling
d.  zeven en vermalen

 
Milieuhygiënische aspecten
Voor AVI-bodemas zijn geen reële alternatieve toepassingen beschikbaar. Door het gecontroleerd toepassen als bouwstof wordt het risico op verspreiding van toxische componenten in het milieu voorkomen. Dit maakt de minimumstandaard uit milieuoogpunt acceptabel.
 
Relatie tot praktijk in Nederland
De minimumstandaard sluit aan bij huidige verwerking in Nederland en is daarmee uitvoerbaar en bedrijfszeker.
 
Relatie minimumstandaard en gebruikelijke verwerking in het buitenland
Het niveau van verwerking dat in de minimumstandaard is vastgelegd komt overeen met de gangbare wijze van verwerking in het buitenland. De minimumstandaard leidt daarom niet tot een ongelijk speelveld tussen Nederland en de omringende landen.
 
Kosteneffectiviteit
Verwerking van AVI-bodemas volgens de minimumstandaard is algemeen aanvaard als haalbaar en kosteneffectief.
 
Specifieke aspecten
In vergelijking tot LAP1 is de minimumstandaard niet gewijzigd.
 
Wel is de formulering aangepast door de toevoeging 'in grond-, weg en waterbouwkundige werken' te schrappen ten opzichte van het eerste LAP. Hiermee komt de formulering meer in lijn met die van andere minimumstandaarden in het LAP.
 
Daarnaast is in de formulering de passage 'binnen de kaders van het beleidskader' toegevoegd. Hoewel het algemene beleid altijd geldt voorzover daar niet expliciet in het sectorplan van wordt afgeweken, is er in dit geval voor gekozen dit nog eens te benadrukken om juist voor deze afvalstroom extra aandacht te vestigen op twee specifieke aspecten
  • Het eerste aspect is het algemene mengbeleid uit hoofdstuk 18 van het beleidskader. Op het specifieke belang hiervan juist voor deze afvalstroom wordt hieronder - onder de kop 'De minimumstandaard i.r.t. zeer schadelijke stoffen' en in paragraaf VI onder de kop 'Van afvalstof naar bouwstof' - nader ingegaan.
  • Het tweede aspect is dat in paragraaf 21.13 van het beleidskader is verwoord dat bij gebruik in 'noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen' de inzet van ter verwijdering aangeboden materialen de voorkeur heeft boven de inzet van bouwstoffen. Dit betekent dat gebruik in 'noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen' uitsluitend is toegestaan in gevallen waarin het realiseren van deze voorzieningen met ter verwijdering aangeboden afvalstoffen niet mogelijk is. Met een verwijzing naar het beleidskader is deze nuance ook in de formulering van de minimumstandaard tot uiting gebracht.
De minimumstandaard i.r.t. zeer schadelijke stoffen
Bij vaststelling van de minimumstandaarden in het LAP is het milieu één van de meegewogen aspecten (zie ook het hoofdstuk 'Minimumstandaard' van het beleidskader). Hierbij is in het algemeen een gemiddelde of gebruikelijke samenstelling van de afvalstof als uitgangspunt gehanteerd. In een aantal gevallen is in de formulering van de minimumstandaard al expliciet rekening gehouden met het mogelijk voorkomen van schadelijke componenten. Het is echter niet ondenkbaar dat ook in andere gevallen specifieke verontreinigingen in partijen afval voorkomen.
 
In het hoofdstuk 'Mengen' van het beleidskader is aangegeven dat verspreiding van stoffen die zodanig gevaarlijk zijn dat ze onder geen beding in de stoffenkringloop mogen blijven circuleren moet worden voorkomen. Concreet gaat het om
  • persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) uit het Verdrag van Stockholm, geïmplementeerd met EU-Verordening EG/850/2004.
  • stoffen waarvan in het kader Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH) is bepaald dat zij voldoen aan de criteria voor stoffen van zeer ernstige zorg, op grond waarvan ze kandidaat zijn voor een totale uitfasering (autorisatie).
 
Omdat deze zeer schadelijke stoffen niet terug in de kringloop mogen worden gebracht, mogen - op basis van genoemde regelgeving - geen handelingen worden verricht die kunnen leiden tot diffuse verspreiding van deze milieugevaarlijke stoffen. Dit kan betekenen dat verwerkingsvormen die voldoen aan de minimumstandaard in bepaalde gevallen alsnog niet kunnen worden toegestaan. Ook mogen partijen afval waarin deze milieugevaarlijke stoffen voorkomen niet worden gemengd met andere partijen afval, met andere afvalstoffen of met niet-afvalstoffen wanneer dit kan leiden tot diffuse verspreiding van betreffende stoffen.
 
Omdat de betreffende stoffen in veel soorten afval kunnen voorkomen en de geformuleerde minimumstandaarden in het algemeen zijn gebaseerd op een gemiddelde of gebruikelijke samenstelling, moet per situatie worden beoordeeld of (incidentele) aanwezigheid van deze stoffen te verwachten is. Bij het verlenen van vergunningen voor afvalverwerking wordt daarom van geval tot geval afgewogen of opnemen van specifieke vergunningvoorschriften noodzakelijk is.
 
 
VI        Beleid en regelgeving
 
Van afvalstof naar bouwstof
Het beleid voor AVI-bodemas is gericht op nuttige toepassing ervan. In het algemeen betreft het hierbij inzet als (of verwerken tot) bouwstof. Wel volgen uit het hoofdstuk 'Mengen' van het beleidskader enkele restricties voor het be- en verwerken van AVI-bodemas gericht op dergelijke inzet als bouwstof, namelijk:
  1. Handelingen met AVI-bodemas die de in het hoofdstuk ‘Mengen’ van het beleidskader bedoelde 'zeer schadelijke stoffen' bevatten zijn niet toegestaan wanneer dat kan leiden tot verspreiding van deze stoffen (zie verder onder de kop 'De minimumstandaard i.r.t. zeer schadelijke stoffen' in dit sectorplan).
  2. Mengen van partijen AVI-bodemas onderling, met andere afvalstoffen of met niet-afvalstoffen is niet toegestaan wanneer de AVI-bodemas zonder mengen niet voldoet aan de kwaliteitseisen van Besluit bodemkwaliteit, tenzij toevoegen van de AVI-bodemas civieltechnisch noodzakelijk is voor het produceren van de betreffende bouwstof en het gaat om functionele hoeveelheden AVI-bodemas.
Het genoemde onder 2 houdt dus in dat het mengen van afvalstoffen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit niet is toegestaan wanneer dit gebeurt met het oogmerk verontreinigingen weg te mengen en zo alsnog een deze eisen te voldoen. Wordt met de inzet van de afvalstof echter primair de verbetering van de fysische en/of bouwtechnische eigenschappen van de gevormde bouwstof beoogd en wordt niet meer van de afvalstof gebruikt dan vanuit functioneel oogpunt noodzakelijk is, dan is gebruik van afvalstoffen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit wel toegestaan, een en ander natuurlijk voorzover de resulterende bouwstof wel aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit voldoet.
Het hoofdstuk 'Mengen' van het beleidskader beoogt niet immobilisatie van verontreinigingen door een afvalstof te mengen met bijvoorbeeld cement aan te merken als een ongewenste vorm van mengen. Het maken van immobilisaten die voldoen aan de kwaliteitseisen van het besluit bodemkwaliteit is - onder voorbehoud van restrictie 1 - toegestaan.
 
Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen
De Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen beoogt een zo hoogwaardig mogelijke verwerking van afvalstoffen te stimuleren door verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen te scheiden en gescheiden te houden. AVI-bodemas valt onder categorie 16 van de regeling en moet gescheiden worden gehouden van andere (gevaarlijke) afvalstoffen. Verzoeken op basis van de regeling om AVI-bodemas te mogen mengen met andere afvalstoffen worden alleen gehonoreerd wanneer dit de verwerking volgens de minimumstandaard van zowel AVI-bodemas als van de afvalstof waarmee het wordt gemengd niet frustreert. Hiertoe worden zonodig voorwaarden aan de toestemming verbonden.
 
Besluit verbranden afvalstoffen
In het Besluit verbranden afvalstoffen zijn voorschriften opgenomen voor de bodemas die door AVI’s wordt geproduceerd. Deze zijn:
a. de hoeveelheid organische koolstof in de bodemassen en de bodemas bedraagt minder dan 3% van het droge gewicht van het materiaal, of
b. het gloeiverlies van de bodemassen en de bodemas bedraagt minder dan 5% van het droge gewicht van het materiaal.
 
Besluit bodemkwaliteit
AVI-bodemas wordt nuttig toegepast in grote grond-, weg- en waterbouwkundige werken als aanvul-, ophoog- en funderingsmateriaal en steunlaagmateriaal op stortplaatsen. Toepassing van AVI-bodemas in grootschalige werken verdient milieuhygiënisch, economisch en beheersmatig gezien de voorkeur. Fluctuaties in de afzet worden opgevangen door opslag bij een aantal AVI’s en intermediairs.
 
Het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit zijn op 1 juli 2008 in werking getreden. Het Bouwstoffenbesluit is per die datum vervallen. Anders dan het Bouwstoffenbesluit kent het Besluit bodemkwaliteit geen bijzondere categorie voor AVI-bodemas. In het Besluit bodemkwaliteit valt AVI-bodemas valt onder de zogenaamde IBC-bouwstoffen. Dit zijn niet-vormgegeven bouwstoffen die alleen mogen worden toegepast met isolatie-, beheers- en controlemaatregelen (IBC-maatregelen), omdat het toepassen zonder deze maatregelen leidt tot teveel emissies naar het milieu. Voor IBC-bouwstoffen gelden aanvullende voorwaarden: 
  • IBC-bouwstoffen mogen niet in oppervlaktewater worden toegepast.
  • IBC-bouwstoffen moeten ten minste 1 maand voor de toepassing worden gemeld.
  • IBC-bouwstoffen mogen alleen worden toegepast met IBC-maatregelen.
 
IBC-maatregelen
De IBC-maatregelen houden onder andere het volgende in:
  • Het ontwerp van het werk waarin de IBC-bouwstoffen worden toegepast moet zijn uitgewerkt en goedgekeurd door een daarvoor erkende instantie. 
  • Vanwege de beheersbaarheid moet minimaal 5.000 m3 in een aaneengesloten, herkenbaar geheel worden toegepast. Hierbij is het wel toegestaan dat een ophoging wordt onderbroken door bijvoorbeeld een viaduct.
  • De bovenzijde en zijkanten van een IBC-bouwstof moeten worden voorzien van een isolerende voorziening.
  • De onderzijde van de toe te passen IBC-bouwstof moet minimaal 0,5 meter boven het ontwerppeil van het grondwater liggen. Standaard hiervoor is het niveau van het maaiveld.
  • Er moet controle en onderhoud plaatsvinden om de kwaliteit van de isolatie op peil te houden.
 
Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen
De Wet milieubeheer bevat een verbod om afvalstoffen op- of in de bodem te brengen buiten inrichtingen (artikel 10.2). Op grond van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen is AVI-bodemas hiervan uitgezonderd wanneer sprake is van toepassing overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen stelt daarbij overigens nog wel voorwaarden ten aanzien van verontreiniging met vliegassen en een minimale opslagperiode voorafgaand aan de toepassing.
Naast deze uitzonderingregeling zijn provincies op basis van artikel 10.63 van de Wet bevoegd om in individuele gevallen ontheffing te verlenen van het verbod van artikel 10.2 van de Wet.
 
 
VII       Achtergronden bij in- en uitvoer
 
Indeling op basis van Oranje lijst van afvalstoffen
Hieronder is een indicatief overzicht gegeven van codes van de Oranje lijst van afvalstoffen (bijlage IV van Verordening (EG) 1013/2006) die voor afvalstoffen van dit sectorplan aan de orde kunnen zijn. De codes zijn ontleend aan het Verdrag van Bazel en het OESO-besluit. Voor overbrenging van de afvalstoffen moet altijd de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming worden gevolgd. De procedure is beschreven in hoofdstuk 'Toetsingskader in- en uitvoer' van het beleidskader.
 
Indicatief overzicht van codes op basis van de Oranje lijst

Codes op basis van bijlage II van het Verdrag van Bazel
 Y47

 

Vermeld de Y-code altijd bij kennisgevingen.

Landelijk afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP)